Dit verhaal komt uit de kinderjaren van de Zonnegod. Uit de tijd dat groen gras zich bij mijn wortels neerplantte. De periode van de eerste groei. De geboorte uit niets.
Het begon allemaal met de geboorte van de Zon, Melanse. Hij, geschapen uit louter lucht, zondig vuur en de nagedachtenis aan Barka. Hij, de zogeheten zoon van Skoet verlicht de aarde, die, zo was nu nog beter te merken, nog steeds leeg was. Ook al waren en vruchten, niemand at ze. Er was zaad, maar niemand groef een gat om te planten. Er waren bomen, maar zelfs nu er een zon was, er ging niemand in hun schaduw zitten. Het was stil, op een geluid na… De stille ademhaling van Maiky, of haar, als ze gestorven was, geest die niet kon ontsnappen. Ze zat vast tussen mij wortels, haar gedachten en de aardkorst.
De vier eerste, de Tettar-koeien waren na ruzie hun eigen weg gegaan. Maar koeien, hoe heilig dan ook, zij leven twintig jaren. Hun lichamen hadden het einde bereikt van zowel hun leven als de wereld waar zij heer en meester van waren geweest. Hun geesten bleven boven hun lichamen zweven, overdachten hun saaie en eenzame levens. Hun zielen zaten vast want hij die je ziel meeneemt was nog niet. Maar toch probeerde ze elkaar te bereiken wat wind teweegbracht. Zij werden de windrichtingen, Westne, Oastra, Nioord, Suido. Maar al had de aarde nu leven, het leven was nog niet op aarde.
Dat moest nog komen.